De rijke kruiden traditie die Europa is vergeten.
Toen ik begon met mijn verdieping in de kruidengeneeskunde kreeg ik het grote, welbekende groene boek van Geert Verhelst. Alle kruiden en planten staan erin beschreven, inclusief waar ze op werken en waar ze voor worden ingezet. Een prachtig naslagwerk en voor veel mensen het startpunt van hun kruidenreis. Voor mij was dat niet anders.
Maar ik wilde meer weten, dus ging ik op zoek naar een opleiding. Die vond ik alleen niet in Nederland. Niet de opleiding waar ik naar zocht. Voor mijn gevoel ontbrak er namelijk iets, al kon ik toen nog niet precies benoemen wat.
Wat ik tegenkwam in boeken, opleidingen en gesprekken met andere kruidengeneeskundigen was voornamelijk het denken in: dit kruid voor die klacht. Eigenlijk regulier denken, maar dan met een plant in plaats van een pil. Je koppelt een werkzame stof aan een indicatie en daarmee is het verhaal rond. Wat ik daarin miste, was een blik op het hele lichaam. Op constitutie, op draagkracht en op de vraag wat het lichaam op dat moment eigenlijk aan het doen is, in plaats van alleen symptoomgericht te werken.
Wat ik daarnaast opvallend vond, was dat andere geneeswijzen dit denken juist wél kennen. Denk aan de dosha's in de Ayurveda, die kijken naar bewegende krachten in plaats van vaste diagnoses. Of aan de elementen binnen de traditionele Chinese geneeskunde, waar gesproken wordt over patronen van overmaat en tekort. Geen van beide systemen vraagt welk middel bij welke ziekte hoort. Ze vragen wat een lichaam op dit moment doet en wat het nodig heeft om weer in beweging te komen.
Voorbeeld
Neem Echinacea. In het rijtje dat ik overal tegenkwam is het simpel: goed voor de weerstand. Punt. Maar in patroon-denken ligt dat genuanceerder. Echinacea is vooral een stimulans voor een systeem dat traag en vastzit, dat hulp nodig heeft om weer in beweging te komen. Bij iemand die al overprikkeld en verhit is, in plaats van traag en koud, is diezelfde stimulerende werking juist minder passend, hoe bekend Echinacea ook staat als hét weerstandskruid. Het kruid verandert niet, maar de vraag wanneer je het inzet verandert compleet zodra je naar het hele systeem kijkt in plaats van naar het label weerstand. Vroeger werd het ingezet heftige infecties en sepsis. Kortdurend en hoog gedoseerd. Niet preventief de hele winter door, zoals nu wordt gepromoot.
Of Valeriaan, in de volksmond het slaapkruidje. Maar Valeriaan is warm en ontspannend, en werkt vooral bij spanning en spasme, bij een systeem dat vastzit in een soort innerlijke kramp. Valeriaan kan bij de ene persoon perfect zijn en bij een ander veel te sterk. Die persoon heeft eerder iets nodig dat het systeem weer op gang brengt dan iets dat nog verder ontspant. We moeten ons afvragen waarom iemand niet slaapt in plaats van de persoon een sederend iets te geven.
Dat is precies het verschil tussen dit kruid voor die klacht en kijken naar wat een lichaam op dit moment aan het doen is.
Dus vroeg ik me af: waarom is dat binnen de westerse kruidengeneeskunde zo anders? Waarom kom ik dit denken in patronen bijna nergens meer tegen?
Lesje geschiedenis
Ik ging op zoek naar waar dat gevoel vandaan kwam en waar we in de geschiedenis van Europa dit soort denken nog wel hadden. Want we hadden het wel degelijk. De oude Grieken, met Hippocrates voorop, werkten al met de vier kwaliteiten: heet, koud, nat en droog. Een kruid was niet simpelweg goed tegen een bepaalde ziekte. Het was verwarmend of verkoelend, drogend of bevochtigend. Je zette het in bij een lichaam dat op dat moment juist te veel van het tegenovergestelde had. Het was een rijke, vitalistische traditie, net zo compleet en doordacht als de Ayurveda en de traditionele Chinese geneeskunde.
Die traditie werd echter onderbroken in de negentiende eeuw. De celpathologie deed haar intrede: ziekte werd voortaan gezien als iets dat in de cel zat, niet als een onbalans in het lichaam. Kort daarna volgde de kiemtheorie, die ziekte koppelde aan specifieke ziekteverwekkers. Vervolgens kwam de farmacologie, die zich richtte op het isoleren van werkzame stoffen uit planten, zodat die gestandaardiseerd en gedoseerd konden worden als geneesmiddel.
Alles wat nog deed denken aan de oude manier van kijken naar gezondheid en ziekte, werd steeds vaker afgedaan als bijgeloof.
Het punt waarop het voor de westerse kruidengeneeskunde echt misging, kwam pas later, toen men opnieuw legitimiteit probeerde te krijgen. Je zou verwachten dat er werd teruggegrepen op de eigen traditie, maar dat gebeurde nauwelijks, in ieder geval niet op grote schaal. In plaats daarvan nam de kruidengeneeskunde de taal over van het systeem dat haar juist had afgewezen: de farmacologie. Als de wetenschap alleen waarde hechtte aan werkzame stoffen en indicaties, dan moest de kruidengeneeskunde zich ook op die manier presenteren om serieus genomen te worden.
Zo ontstonden de bekende indicatielijstjes: dit kruid voor die klacht, deze werkzame stof voor dat symptoom.
De Ayurveda en de traditionele Chinese geneeskunde ontliepen dit lot omdat zij levende medische systemen bleven binnen hun eigen cultuur, met eigen opleidingen, leraren en een ononderbroken overdracht van kennis. De westerse vitalistische traditie had die doorgaande lijn niet meer. Er was geen levend systeem meer om op aan te sluiten toen de kruidengeneeskunde zich opnieuw moest vormgeven. Er waren alleen nog oude teksten.
Thuiskomen
Die zoektocht bracht mij uiteindelijk bij Alchemical Herbalism, ontwikkeld door Sajah Popham en bij het werk van Matthew Wood. Zij hebben het oude vitalistische denken opnieuw opgegraven en vertaald naar een systeem dat ook vandaag de dag weer praktisch toepasbaar is.
Matthew Wood herformuleerde de physiomedicalistische traditie uit de negentiende eeuw tot de zes Tissue States, die inmiddels de kern vormen van mijn eigen manier van werken: koudte/depressie, vochtigheid/ontspanning, vochtige stagnatie, hitte/opwinding, droogte/atrofie en wind/spanning.
Sajah Popham bouwde daarop voort en legde verbanden met de ayurvedische dosha's en de traditionele Chinese geneeskunde. Hoewel deze systemen ieder hun eigen oorsprong en ontwikkeling hebben, beschrijven ze allemaal patronen van balans en onbalans in het lichaam. De overeenkomsten zijn opvallend en doen denken aan het oude Griekse denken in de vier kwaliteiten: heet, koud, droog en vochtig.
Voor het eerst kwam ik een systeem tegen dat precies bood wat ik in Nederland niet had kunnen vinden. Niet de vraag welk kruid bij welke klacht hoort, maar de vraag in welke richting het lichaam op dit moment uit balans is geraakt en welk kruid helpt om het weer in beweging te brengen.
Dat betekent niet dat ik tegen het allopathische denken ben. De moderne fytotherapie heeft absoluut haar plaats en haar waarde. Voor veel mensen en veel klachten werkt die benadering uitstekend. Maar voor mij voelde het alsof er nog veel meer mogelijk was. Meer diepgang. Meer aandacht voor het geheel. Meer aansluiting bij hoe een lichaam daadwerkelijk functioneert.
Dat is de traditie van waaruit ik nu werk. Omdat ik uiteindelijk vond wat ik miste toen ik voor het eerst dat grote groene boek opensloeg.